< Terug naar overzicht van deze nieuwsbrief

Jaargang 2016 - maart, 7 juli 2016

In deze nieuwsbrief leest u over de voorlopige bevindingen van het onderzoek naar het beredeneerd niet handhaven van gemeenten.

Zoals wij eerder aankondigden in de nieuwsbrief van oktober 2015 is de Inspectie van het Onderwijs (de inspectie) samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een onderzoek gestart naar het hoge percentage gevallen waarin gemeenten geen actie ondernemen na een handhavingsadvies van de GGD. Met deze nieuwsbrief willen we de hoofdlijnen en voorlopige bevindingen van het onderzoek alvast met u delen met als doel u te informeren over de stand van zaken.

Het feitelijk onderzoek is afgerond; in totaal hebben we 33 gemeenten geïnterviewd over het gevoerde beleid, de uitvoering, de werkwijze en hoe wordt omgegaan met het besluit ‘beredeneerd niet handhaven’. Het schrijfproces loopt nog en het onderzoeksrapport is naar verwachting in september klaar. Het wordt gelijktijdig gepubliceerd met het Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2015.

Voorlopige conclusies

- De aanvankelijke 28 procent ‘beredeneerd niet handhaven’ blijkt veel genuanceerder te liggen. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de onjuiste en/of niet uniforme vastleggingen in het GIR-systeem.
- Er is een grote diversiteit aan overwegingen en onderbouwingen voor het toepassen van ‘beredeneerd niet handhaven’.
- De communicatie en samenwerking tussen gemeenten en GGD is heel belangrijk.
- Een risicoprofiel blijkt voor gemeenten meer te zijn dan alleen een planningsinstrument voor de GGD.

Onjuiste of geen uniforme vastlegging in GIR

Uit het onderzoek is gebleken dat gemeenten niet altijd dezelfde definitie of omschrijving hanteren als de inspectie: ‘….dat een gemeente bewust besluit niet over te gaan tot handhaving en dus geen enkele actie (ook geen overleg en overreding of schriftelijke waarschuwing) inzet om de geconstateerde tekortkomingen ongedaan te maken’.

Doordat de omschrijving bij gemeenten soms geheel anders is of op bepaalde punten afwijkt, heeft dit effect op de registratie. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij gemeenten overleg en overreding toepassen, maar dit niet registreren in GIR omdat het niet als handhavingsactie wordt ervaren. Om die reden wordt het dan afgevinkt als ‘niet handhaven’.

Overwegingen en onderbouwingen besluit niet handhaven

Het proces om te komen tot het besluit niet handhaven is afhankelijk van diverse factoren die met elkaar worden afgewogen. De meest relevante factoren die gemeenten hebben aangedragen zijn:
1. De beschouwing van de GGD-toezichthouder en/of de zienswijze van de houder.
2. Aanvullende afstemming met de GGD-toezichthouder en/of met de houder.
3. De ernst van de tekortkoming.
4. De context van de situatie, houding en bereidheid van de houder.
5. De kleur van het risicoprofiel van de locatie.
 
In de interviews geven de onderzochte gemeenten aan dat zij het ‘beredeneerd niet handhaven’ met name toepassen op onderstaande tekortkomingen:
- De houder heeft geen oudercommissie ingesteld.
- De beroepsopleiding VVE van beroepskracht voldoet niet.
- Houder voldoet niet aan minimale VVE-uren.

Gemeenten hechten veel waarde aan deskundigheid GGD

Van de onderzochte gemeenten geeft 80 procent aan dat zij de GGD vaak tot altijd raadplegen alvorens ze overgaan tot het besluit ‘beredeneerd niet te handhaven’. Uit de interviews blijkt dat gemeenten veel waarde hechten aan de deskundigheid en het standpunt van de GGD-toezichthouder. Deze toezichthouder is namelijk de enige die op locatie komt en daadwerkelijk kan zien, horen en voelen wat de situatie is bij een locatie. Maar het blijkt in de praktijk lastig om dit goed uit de beschouwing van de toezichthouder te halen. De gemeenteambtenaar wil dit daarom graag één op één bespreken met de toezichthouder zodat er een optimaal beeld ontstaat.

Risicoprofiel kinderopvanglocatie

Van de onderzochte gemeenten geeft 36 procent aan dat de kleur van het risicoprofiel van de locatie invloed heeft op de overweging om wel of niet te handhaven.

Presentatie tijdens regio-overleggen in maart, april en mei

In maart, april en mei presenteert de inspectie de voorlopige conclusies ook tijdens diverse regio-overleggen kinderopvang in het land. Deze bijeenkomsten zijn om gemeenten en GGD ’en te informeren, maar ook om met ze in gesprek te gaan over de bevindingen en conclusies. De eerste bijeenkomsten zijn inmiddels geweest.

Colofon

Inspectie van het Onderwijs
Postbus 2730
3500 GS Utrecht
Vragen over of reageren op de nieuwsbrief? Mail het Loket Onderwijsinspectie.