Nieuwsbrieven & e-mailattenderingen

< Terug naar overzicht van deze nieuwsbrief

4 april 2017

Hoe meet het RIVM radioactiviteit en straling?

In januari van dit jaar meldden een aantal landen in Noord-West Europa dat er radioactief jodium-131 in de lucht was gevonden. Noorwegen als eerste, daarna volgden Finland, Polen, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk en Spanje. Waar het jodium vandaan komt, is niet bekend. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), dat de radioactiviteit in de lucht meet, heeft in Nederland niets gedetecteerd. Hoe kan dat? En hoe meet het RIVM precies? Lars Roobol, afdelingshoofd Meten en Monitoren van het RIVM legt dit uit.

Het meest gevoelige meetapparaat in Nederland staat in Bilthoven, op het dak van het RIVM. Dit apparaat kan hele kleine sporen radioactiviteit zichtbaar maken, doordat een luchtpomp 800 kubieke meter per uur aanzuigt. Dat is ongeveer 750 keer meer dan een mens inademt in een uur. Het stof in de lucht wordt opgevangen op een filter dat iedere week verwisseld wordt en nagemeten op radioactiviteit.

Detectielimiet
De detectielimiet (drempelwaarde) van dit apparaat ligt voor jodium-131 bij ongeveer 1,7 microbequerel per kubieke meter. Roobol: ‘Dat er in Nederland niets is gevonden, kan komen doordat het jodium later in Nederland is aangekomen en daarbij wat meer verdund raakte, waardoor de concentratie onder de detectielimiet komt en dus niet geregistreerd wordt door de apparatuur. De landen rondom ons hebben bovendien een andere detectielimiet. Daar kunnen ze 0,5 microbequerel aantonen. Wat wij meten staat nóg een factor miljoen af van het niveau waarop je zorgen zou moeten maken.’

Nationaal Meetnet Radioactiviteit
Het apparaat op het dak in Bilthoven is niet het enige meetinstrument in Nederland. Het RIVM meet op ruim 150 locaties, ook aan de grens, het stralingsniveau en met 14 meetpalen, verspreid over het land, de concentratie van radioactieve stoffen in de lucht. Samen met het apparaat in Bilthoven is dit het Nationaal Meetnet Radioactiviteit (NMR). De resultaten van al deze metingen worden door het RIVM verzameld en geanalyseerd. Roobol: ‘Dit meetnet is eigenlijk ontworpen voor incidenten. Maar het is ook een goede graadmeter voor het milieu. De resultaten zijn steeds anders. Als het regent is er bijvoorbeeld meer straling omdat de radioactieve stoffen dan op de grond vallen. Als het droog wordt en waait, is er weer minder straling. Soms waait het vanuit het oosten waar veel rotsbodem is. Dan meet je wat meer van de natuurlijke radon die daar in zit. Maar dit zijn allemaal minimale variaties.’

Zeoliet
Alle nucleaire installaties in Nederland zijn volgens hun vergunning verplicht om lozingen vanuit de schoorsteen en in het water te meten en rapporteren. Het RIVM meet in opdracht van de ANVS de lozingen van de nucleaire installaties eens in de zoveel tijd na en rapporteert deze ook. Vervolgens vergelijkt de ANVS de resultaten. Roobol: ‘Als ze afwijken, zoeken we uit waar dat aan ligt. Dat kan bijvoorbeeld komen door de manier waarop je meet. Zo gebruikte Areva, de firma die voor de kerncentrale Borssele de metingen doet, een andere techniek dan wij, met zeoliet als filtermateriaal. Dat is een poreus materiaal dat heel goed deeltjes van een bepaalde afmeting kan opvangen. Door dit filter werd er een andere waarde van koolstof-14 gemeten. Wij vonden hun techniek beter en hebben die meetmethode overgenomen. Nu komen de resultaten weer overeen.’
 
 Ringonderzoek
Om de meetmethoden op elkaar af te stemmen, doet het RIVM jaarlijks met alle vergunninghouders mee aan een zogenaamd ringonderzoek. ‘Hierbij analyseert iedere deelnemer een onbekend monster’, legt Roobol uit. ‘Het is de bedoeling dat we allemaal de waarden vinden die er van te voren in zijn gestopt. De resultaten van dit onderzoek worden nabesproken met alle deelnemers in het bijzijn van de ANVS.’

Lees meer:
Nationaal Meetnet Radioactiviteit (RIVM)

Veiligheidsbewustzijn begint met vertrouwen en verantwoordelijkheid

In de media verschijnen af en toe berichten over de veiligheidscultuur bij nucleaire installaties. Wat houdt dat precies in, een veiligheidscultuur? En wat kan de ANVS er aan doen om het veiligheidsbewustzijn bij organisaties te verbeteren? Yvonne Dubbers en Margreet Steenhuisen, beiden als inspecteur werkzaam bij de ANVS, lichten dit toe.  

Het begrip veiligheidscultuur geeft aan hoe er met veiligheid wordt omgegaan in een organisatie. In een goede veiligheidscultuur worden er afspraken gemaakt over de doelstellingen op dit gebied. Dit leidt tot beleid en procedures die worden vastgelegd in een veiligheidsmanagementsysteem. Het vastleggen van afspraken is natuurlijk niet voldoende. De veiligheid moet ook in de praktijk worden gegarandeerd. Leidinggevenden en medewerkers dienen zich altijd bewust te zijn van mogelijke risico’s van hun handelen voor zichzelf en voor collega’s. En bij nucleaire installaties moet, aanvullend hierop, kennis en ervaring aanwezig zijn over de gevolgen van hun handelen voor de nucleaire veiligheid.

Vertrouwen
Volgens Steenhuisen speelt leiderschap hierbij een belangrijke rol. ‘Veiligheidsbewustzijn begint met vertrouwen tussen de medewerkers en hun leidinggevenden. Medewerkers moeten hun zorgen over de veiligheid kunnen uiten zonder angst voor intimidatie, vergelding of discriminatie.’ In de ideale situatie is veiligheidsbewust gedrag sociaal geaccepteerd en worden zaken die van invloed zijn op veiligheid direct geïdentificeerd, geëvalueerd en gecorrigeerd. Beheersbare werkprocessen vormen daarbij een onmisbare schakel. ‘Het belang dat wordt toegekend aan veiligheid moet blijken uit het plannen, uitvoeren en controleren van werkprocessen’, vult Dubbers aan. ‘Van de medewerkers wordt verwacht dat ze de werkprocessen begrijpen en dat ze hun competenties ontwikkelen. Daarom inspecteert de ANVS niet alleen de technische systemen, maar ook de kennis en ervaringen van medewerkers en leidinggevenden. Dan gaat het bijvoorbeeld om opleidingen en trainingen van het personeel en of er voldoende geleerd wordt van incidenten uit binnen- en buitenland.’

Aannames
Veiligheidsbewuste leidinggevenden en medewerkers voelen zich verantwoordelijk voor de veiligheid van de samenleving, hun collega’s en zichzelf en handelen daar naar. De ANVS controleert of bedrijven de juiste prioriteit toekennen aan veiligheid. ‘Slecht onderhoud van een installatie, gladde vloeren en gebarricadeerde branddeuren zijn geen goed teken’, zegt Dubbers. Ook het gebruik van veiligheidskleding, de interne afhandeling van potentieel risicovolle situaties en de houding van medewerkers tijdens werkbesprekingen geven indicaties over de veiligheidscultuur. ‘Maar een inspecteur neemt niet waar’, aldus Steenhuisen. ‘Medewerkers kunnen denken dat wat zij doen niet van invloed is op de veiligheid of dat er toch niet naar ze geluisterd wordt. Dit soort aannames kunnen van invloed zijn op hun gedrag en daarmee op de veiligheid. Pas als een bedrijf hier aandacht voor heeft, kan het bestendige verbeteringen inzetten.’ Het verbeterproces gaat dan ook veel verder dan bijvoorbeeld een maatregel gericht op het onderhoud van een installatie. Dit maakt het toezicht op de veiligheidscultuur intensief. Dat vindt daarom vooral plaats bij bedrijven die met zeer risicovolle installaties werken, zoals vermogens- en onderzoeksreactoren. Steenhuisen: ‘Bij andere bedrijven inspecteert de ANVS ook technische systemen, managementsystemen en veiligheidsgedrag, maar is er minder tijd en aandacht voor het identificeren van eventuele onderliggende, structurele verbeterpunten.’

Internationale ondersteuning
De ANVS maakt ook gebruik van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA) om een veiligheidscultuur te beoordelen. ‘Het IAEA voert gedurende ongeveer twee weken observaties uit, neemt interviews af, bestudeert documentatie en interviewt focusgroepen’, vertelt Dubbers. ‘Voorafgaand aan deze twee weken verzamelt de IAEA of de organisatie zelf informatie met behulp van een door het personeel ingevulde vragenlijst. Als alle gegevens zijn verzameld en geanalyseerd, vormt de IAEA een beeld van de veiligheidscultuur en worden zowel de goede prestaties als de minder ontwikkelde aspecten van de veiligheidscultuur in kaart gebracht. Als bepaalde aspecten van de veiligheidscultuur onderontwikkeld zijn, dan is het eerst van belang dat een organisatie dit begrijpt en erkent. Pas daarna is het zinvol een verbeterplan te bedenken en uit te voeren. Na zo’n twee á drie jaar volgt er een ‘follow-up’ missie, waarin de IAEA opnieuw langskomt om de voortgang te beoordelen.’

Nationaal communicatieoverleg Nucleair en Straling van start

Het Nationaal communicatieoverleg Nucleair en Straling kwam op 3 november 2016 voor het eerst bijeen. Dit overleg heeft als doel om alle communicatiezaken tussen de bij nucleaire veiligheid en stralingsbescherming betrokken partijen op elkaar af te stemmen, om zo het publiek beter te informeren en de kennis over deze onderwerpen te vergroten. Deelnemers aan dit overleg zijn de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Veiligheid en Justitie (VenJ), het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en een vertegenwoordiger van de Veiligheidsregio Zeeland. Al deze partijen hebben de wettelijke taak om de bevolking te informeren en iedere deelnemer blijft verantwoordelijk voor de eigen portefeuille. De ANVS zit het overleg voor.

‘De informatievoorziening vanuit de verschillende partijen naar het publiek verloopt niet altijd eenduidig’, zegt Léonie Wolters, coördinator communicatie bij de ANVS. ‘We willen dit meer in één lijn brengen. Door onze communicatie af te stemmen kunnen we het publiek beter informeren. Als we in het overleg signaleren dat er maatschappelijke behoefte is aan informatie over een bepaald onderwerp, dan spelen we daarop in door een werkgroep op te richten. We formuleren een strategische opdracht en wijzen een verantwoordelijke partij aan als voorzitter.’ Tijdens de startbijeenkomst zijn er vier werkgroepen opgericht: Crisiscommunicatie (voorzitter: IenM), Risicocommunicatie (voorzitter: ANVS), Jodiumprofylaxe (voorzitter: VWS) en Internationaal (voorzitter: ANVS). De werkgroepen kwamen begin dit jaar voor het eerst bijeen en zijn bezig met hun opdracht.

Internationaal
‘Bij de werkgroep Internationaal gaat het er om de juiste partners in het buitenland te betrekken bij de informatievoorziening aan en de communicatie met de grensgemeenten in de buurt van een Belgische kerncentrale’, aldus Wolters. Deze werkgroep kwam voor het eerst bijeen op 2 februari 2017. Hierbij waren Erik Hulsbosch, Ine Wenmaekers en Sylvain Jonckheere van het Belgische Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) aanwezig. ‘In Nederland bestaan er meer zorgen over de Belgische kerncentrales, dan andersom’, zegt Hulsbosch. ‘Als er in een Belgische centrale iets gebeurt, hoe klein ook, dan worden de Nederlandse bestuurders in de grensregio daar graag snel over geïnformeerd. We hebben nu persoonlijk contact en weten elkaar, ook bij kleine incidenten, makkelijk te vinden.’ De werkgroep maakt afspraken over hoe de ANVS en het FANC samenwerken bij het informeren van de doelgroepen.

Toolkit
Mirja Vis, coördinator communicatie bij de Veiligheidsregio Zeeland, was aanwezig bij de startbijeenkomst van het communicatieoverleg. ‘Heel goed dat de ANVS de regie heeft gepakt om de verschillende partijen op het gebied van stralingsbescherming en nucleaire veiligheid bij elkaar te brengen’, zegt zij daarover. ‘Het is erg positief dat we elkaar nu leren kennen, ervaringen delen en concrete stappen zetten in de informatievoorziening.’ De ANVS ontwikkelt momenteel een ‘toolkit’ met informatie voor de veiligheidsregio’s, waarmee ze hun omgeving kunnen informeren over wat te doen bij een eventueel kernongeval. ‘Superhandig’, vindt Vis. ‘We zijn heel benieuwd naar het resultaat.’

Veertig jaar stralingsbescherming

Gerard Breas, coördinerend specialistisch inspecteur, nam op 23 maart 2017 afscheid van de ANVS. Na veertig jaar werkzaam te zijn geweest in de stralingsbescherming, lonkt het pensioen. Voor dit Kwartaalbericht blikt hij terug op zijn werkzame leven. ‘Je leert het beste door fouten te maken, vragen te stellen, te kijken en te doen.’

Breas begon zijn carrière bij het ministerie van Defensie, na een studie Technische Natuurkunde met specialisatie gezondheid- en milieukunde aan de Technische Universiteit Eindhoven. ‘In die tijd haalde ik ook het B-diploma van de opleiding voor Stralingsbescherming’, zegt hij. ‘Daarna heette dat Stralingshygiëne Deskundigheidsniveau 2, en nu Algemeen Coördinerend Deskundige.’
Bij Defensie hield Breas zich bezig met het beleid voor de gehoorbescherming voor militairen, veiligheidsmaatregelen bij het gebruik van lasers en het ontwikkelen van standaarden voor elektromagnetische straling van radars en zendapparatuur. Breas: ‘Ik was adviseur vergunningen en adviseur stralingsbescherming binnen Defensie, dus alleen voor defensietoepassingen. Zo rolde ik langzaam maar zeker in de stralingsbescherming.’ Het ministerie van Defensie gaf, na akkoord van de Kernfysische Dienst (KFD), vergunningen af voor nucleair aangedreven schepen. Breas was de intermediair tussen Defensie en de KFD voor die vergunningen. ‘Maar ik had ook contact met de Arbeidsinspectie’, zegt hij, ‘want militairen zijn ook gewoon werkers.’

Tsjernobyl
Van 1985 tot 1990 was Breas even niet werkzaam in de stralingsbescherming, maar hoofd van het Wetenschappelijk en Technisch Documentatie- en Informatiecentrum van de Krijgsmacht. ‘Er gebeurde veel in die tijd. Het gebruik van internet kwam op en dat veranderde de manier waarop informatie en literatuur werd uitgewisseld.’ In mei 1986 vond er een ernstig ongeluk plaats met één van de reactoren van de kerncentrale Tsjernobyl in de Oekraïne. Marius Enthoven, toenmalig hoofdinspecteur Milieuhygiëne, werd door toenmalig minister Pieter Winsemius van het ministerie van Milieu benoemd tot leider van het crisisteam. Breas: ‘In het hele land werd gemeten om het stralingsniveau vast te stellen. Die harde actie heb ik helaas gemist. Wel hebben we toen veel literatuurinformatie over deze ramp verzameld, die door ons werd gerubriceerd en veel aftrek vond binnen en buiten Defensie.’ Door de val van de Berlijnse muur in 1989 viel de dreiging van de Koude Oorlog weg en moest het ministerie inkrimpen. Dat betekende voor Breas: reorganisaties managen. ‘Daar werd ik niet gelukkig van’, zegt hij. ‘Ik wil iets kunnen opbouwen.’

Schroot
Op 1 januari 1990 begon Breas bij de inspectie Milieuhygiëne. Hier coördineerde hij de inspecties bij ziekenhuizen en later ook de registraties van emissies, straling en afval van nucleaire installaties. Toen kwamen er ook al vrij snel meldingen van radioactief schroot. Breas: ‘Begin jaren negentig ontdekten we dat metaalschroot radioactieve stoffen kon bevatten. Een deel daarvan is van natuurlijke oorsprong. Bij olie-, gas- en waterwinning komen er ook radioactieve stoffen naar boven. Die zetten zich af in de leidingen, die als schroot worden hergebruikt.’ Samen met zijn collega’s zette Breas een protocol op over het inspecteren en afvoeren van dit radioactieve materiaal. ‘We werkten eerst aan een nationale aanpak. Inmiddels komt er steeds meer zicht op een internationale aanpak, maar deze moet nog per land worden ingevuld.’

Pionieren
Sindsdien is Breas altijd betrokken gebleven bij de inspecties in ziekenhuizen en de emissies van nucleaire installaties, eerst bij de inspectie Milieuhygiëne, daarna bij de VROM-inspectie, de KFD, de Inspectie Leefomgeving en Transport en uiteindelijk de ANVS. Ook is hij zich altijd bezig blijven houden met de bescherming van mens en milieu tegen straling. ‘Alles heeft met elkaar te maken’, legt hij uit. ‘Een reparatie aan de Hoge Flux Reactor kan invloed hebben op de mensen die ermee werken. Radioactief schroot komt ergens vandaan en moet ergens naartoe. En radioactief afval speelt ook bij de ontmanteling van een nucleaire installatie.’ Wat vond Breas het meest boeiende in zijn carrière? ‘Vooral het pionieren’, antwoordt hij. ‘Er kwamen steeds weer nieuwe uitdagingen.’

Terug naar de basis
De relatie met de praktijk vindt hij daarbij erg belangrijk: ‘Bij de inspectie Milieuhygiëne stuurden ze medewerkers vaak naar bedrijven. Bij de KFD was niet iedereen in de praktijk bezig. Dat komt door andere visies op functies en taken, meer theoretisch, meer op afstand. Maar je leert het beste door fouten te maken, vragen te stellen, te kijken en te doen. Stralingsbescherming hoort heel dicht bij de praktijk te staan. Door de werkdruk gaan we soms niet meer diep genoeg in op de materie. In de opleiding voor stralingsdeskundige leer je sommen maken, maar daarna doe je dat niet meer. En op de universiteit leer je een vak waar je later nog maar vijf procent van gebruikt. Iedereen moet eigenlijk tijd reserveren om de diepte in te gaan, terug naar de basis. Daarmee win je soms een heleboel tijd. Zorg dat je weet wat je meet, houd die ervaring en deel die met anderen.’

Vakantiegevoel
Breas zal het dagelijks contact met zijn collega’s en het inhoudelijke werk missen: ‘Het is nog elke dag hartstikke leuk!’ Hij blijft lid van de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne en heeft zich aangemeld als vrijwilliger bij het vijfde Europese congres van de ‘International Radiaton Protection Association’. ‘En ik neem een stapeltje boeken en mapjes mee naar huis’, zegt hij. ‘Als ik dan iets wil weten kan ik het nazoeken. Nu ga ik eerst het vakantiegevoel toelaten!’ Wat wenst hij de ANVS toe? ‘Een toekomst zonder al teveel politiek gedoe. Ik hoop dat de ANVS vruchtbaar kan werken aan haar taken stralingsbescherming en nucleaire veiligheid, met of zonder kerncentrales. Zelfs het sluiten van een kerncentrale levert nog zo’n tien jaar werk op.’
Patrick Arends heeft Gerard Breas per 23 maart 2017 opgevolgd als coördinerend specialistisch inspecteur bij de ANVS.

Statistieken website ANVS, eerste kwartaal 2017

De pagina ‘aanvragen en melden is het best bezochte onderdeel op de ANVS-website in januari (1.913), februari (1.679) en maart (1.843). Het afgelopen kwartaal is het onderwerp ‘stralingsbescherming als beste onderwerp beken (192 + 148 + 201 unieke paginaweergaves). In maart is het nieuwsbericht ‘Ontwerp Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming voorgelegd aan Eerste en Tweede Kamer78 keer bekeken. In februari bekeken 117 bezoekers het nieuwsbericht ‘Zes ANVS’ers geslaagd voor opleiding Algemeen Coördinerend Deskundige en 82 bezoekers lazen het nieuwsbericht ‘Aanvraag tot wijziging Kernenergiewetvergunning NRG ter inzage’ in januari.

Colofon

Dit kwartaalbericht is een uitgave van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming