Taaleis in de Participatiewet

Het CBS heeft in opdracht van het ministerie van SZW een onderzoek gedaan naar de stand van zaken rond de uitvoering van de taaleis in de Participatiewet. Het doel hiervan was om reeds voorafgaand aan de wettelijke evaluatie een beeld te krijgen van de uitvoering. Met mijn brief van 29 januari 2018 is dit rapport aan de Kamer gestuurd. Uit de inventarisatie blijkt dat gemeenten de wet nog niet naar de letter uitvoeren. Om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de taaleis is in 2015 een handreiking gepubliceerd. Ik wijs gemeenten hier graag nogmaals op.

Registratie verlagingen

Uit de rapportage van het CBS blijkt tevens dat de verlagingen van de bijstand als gevolg van het niet voldoen aan de taaleis nog niet op de juiste manier worden geregistreerd. Als de gemeente de uitkering van een klant verlaagt, omdat de klant niet voldoet aan de verplichting om het gewenste taalniveau te bereiken, dient dit in het kenmerk ‘Reden vermindering n.a.v. afstemming’ te worden aangegeven met de code 09.

Onderzoek CBS taaleis

CBS heeft medio april een nieuwe uitvraag voor extra informatie gestuurd met betrekking tot de taaleis. Voor SZW is het van belang dat gemeenten hiervoor informatie aanleveren.  De gevraagde informatie heeft in principe betrekking op de maand april. Waar dit niet mogelijk is vraagt CBS-informatie over het gehele verslagjaar 2017. Hierbij gaat het om het aantal personen dat niet voldoet aan de wet taaleis (peildatum april), het aantal taaltoetsen, aantal taaltrajecten, aantal verlagingen naar aanleiding van het niet voldoen aan de wet taaleis en hoe vaak werd afgezien van verlagingen vanwege ontbrekende verwijtbaarheid of andere dringende redenen. Voor deze laatste vier categorieën geldt als peildatum april 2018 en/of jaarcijfers 2017.  

Evaluatie

De evaluatie van de taaleis wordt vóór 1 januari 2020 aan de Kamer gestuurd. De evaluatie dient onder meer antwoord te geven op de vraag of de taaleis leidt tot uitstroom en/of een verminderde instroom in de Participatiewet.

Relatie met inburgering

De Tweede Kamer heeft gevraagd hoe de Wet Inburgering en de taaleis in de Participatiewet met elkaar samenhangen en heeft mij gevraagd gemeenten hierover te informeren. Voor inburgeringsplichtigen op grond van de Wet inburgering geldt dat zij al een verplichting hebben om de Nederlandse taal machtig te worden. Op grond van de Wet inburgering heeft een inburgeraar 3 of 5 jaar de tijd om te voldoen aan het in die wet vereiste taalniveau (A2). Een inburgeringsdiploma, of een ander document dat aantoont dat hij de Nederlandse taal beheerst, is voldoende om vrijgesteld te worden van de taaltoets. Wanneer een bijstandsgerechtigde begonnen is met een leertraject (wat hieronder wordt verstaan is gemeentelijke beoordelingsvrijheid) om het inburgeringsdiploma te behalen, kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van de kant van de bijstandsgerechtigde, zoals bedoeld is in de Wet Taaleis. De bijstandsgerechtigde krijgt dus niet met twee verschillende trajecten te maken. Wel dient de gemeente te monitoren in welke mate voortgang wordt gemaakt met het inburgeringstraject. Desgevraagd moet de aanvrager het volgen van een dergelijk traject aantonen aan de hand van documenten. Dat geldt ook voor het meten van de voortgang. Laat de aanvrager na de betreffende documenten te overleggen, dan heeft dit nog geen gevolgen voor het recht op algemene bijstand. Als de aanvrager niet voldoet aan de medewerkingsplicht van het tweede lid van artikel 17 van de Participatiewet dan geldt het maatregelregime van artikel 18 van de Participatiewet. Gevolg is wel dat bij het niet verstrekken van een bewijs dat men een inburgeringstraject volgt of voortgang maakt er een verplichting ontstaat om een toets af te leggen in het kader van de Wet Taaleis.