Aanpassing Regeling fusietoets

Schoolbesturen in gebieden met forse leerlingendaling staan voor de moeilijke opgave om te zorgen voor een kwalitatief en doelmatig onderwijsaanbod. Het onderwijs moet van goede kwaliteit zijn en het aantal scholen moet in een redelijke verhouding staan tot het aantal leerlingen. In deze situatie zijn fusies tussen scholen of besturen soms onvermijdelijk. De Regeling fusietoets in het onderwijs bood echter niet voldoende ruimte en zekerheid voor besturen in gebieden met leerlingendaling en werkte dan belemmerend. Daarom heeft staatssecretaris Dekker de Regeling fusietoets aangepast.

Kortere procedure
Op 10 september is de aangepaste regeling gepubliceerd in de Staatscourant. Leerlingendaling is nu als expliciete rechtvaardigingsgrond in de Regeling fusietoets opgenomen. Bij een (gemiddelde) leerlingendaling van 15 procent of meer in een periode van vijf jaar, hoeft geen advies meer te worden gevraagd aan de Commissie Fusietoets Onderwijs (CFTO). Ook in deze situatie moet het fusieproces zorgvuldig zijn. Daarom blijven de wettelijke voorschriften die gelden bij fusies van kracht, zoals het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad en het opstellen van een fusie-effectrapportage (FER).

Voorgenomen fusies
Het kan voorkomen dat al aan de medezeggenschapsraad is gevraagd om in te stemmen met een voorgenomen fusie, terwijl die fusie niet langer hoeft te worden voorgelegd aan de CFTO, omdat deze plaatsvindt in een gebied met forse leerlingendaling (meer dan 15 procent). In zo’n geval kan de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad aan de CFTO vragen om te adviseren over de aan hen voorgelegde fusie-effectrapportage.

Schaalgrootte
De kortere procedure is niet van toepassing als er in het PO een schoolbestuur ontstaat met in totaal meer dan 2500 leerlingen. In het VO ligt deze grens op 5000 leerlingen. Als er sprake is van minder dan 15 procent leerlingendaling in vijf jaar, kan leerlingendaling toch als rechtvaardigingsgrond worden gebruikt.